De herfst is nog
nergens te bespeuren, het seizoen van ‘De zevende dag’ is nog vers en het
rondje multinationals (MNC) bashen is
terug van nooit weggeweest. Naar aanleiding van een betoging over TTIP vorige
week in Betoging Capital a.k.a. Brussel, werd in het hierboven vermelde
programma een debat tussen ene John Crombez en Karel De Gucht georganiseerd. De
heer Crombez wentelde zich snel in de retoriek die tegenwoordig door zoveel
politici en opiniemakers gebezigd wordt, deze van de verfoeilijke
multinational. Minder expliciet in dit debat maar vaak de tweede vers in deze
redenering zijn de glorieuze Belgische/Vlaamse kleine en middelgrote
ondernemingen (KMO). Dat discours ergert mij mateloos en wel omdat het volgens
mij een totale ontkenning is van de reële dynamiek tussen KMO’s en MNC’s.
In een poging om
alle didactische benaderingen aan hun trekken te laten komen, tracht ik het
eerst eenvoudig en intuïtief uit te leggen en daarna zal ik het wat academischer
aanpakken.
Simpel gezegd
zijn KMO’s en MNC in een economisch bestel een EN-EN-verhaal. Toen ik in het
vierde middelbaar zat, leerde we tijdens de biologielessen het concept van een mutualisme.
Volgens onze vrienden van Wikipedia is een mutualisme in de
ecologie een interactie tussen twee levensvormen (bionten) waarbij beide
voordeel hebben van die interactie (+/+). Een concept makkelijk genoeg voor een
bende 16-jarigen en volgens mij een ideale metafoor om de interactie tussen
KMO’s en MNC’s te benaderen.
In een meer
academische benadering spreken we over ‘linkages’. In de literatuur die ik
gevonden heb, wordt er over 5 zulke ‘linkages’ gesproken. De eerste is de
‘backward linkage with suplliers’. Hiermee verwijst men naar de MNC die directe
of indirecte afnemer is van goederen of diensten die in lokale KMO’s
geproduceerd worden. Denk hierbij aan de toeleveranciers van zetels bij Ford
Genk of de broodjeszaak waar menig MNC-personeelslid zijn middagmaal nuttigt.
Hoewel evident, wordt dit argument in het publieke debat slechts gebruikt
wanneer het de demagoog past. De verontwaardiging is groot wanneer de
toeleverancier die rechtstreeks afhankelijk is van een MNC moet sluiten ten
gevolge van een sluiting van de MNC. Vervolgens groeit de verontwaardiging dat
deze medewerkers niet van dezelfde gunstige brugpensioenregeling zullen kunnen
genieten. Par contre, wanneer men
smijt met de hoge tewerkstelling in KMO’s vergeet men handig de rol van de MNC’s
hierin te vermelden.
Andere ‘linkages’
zijn ‘forward linkages with customers. Hier gaat het over de meerwaarde die
KMO’s kunnen genereren aan de andere kant van de productieketen. Denk hierbij
bijvoorbeeld aan een lokaal marketingbureau dat het product mee in de lokale
markt helpt zetten of een lokale winkel(keten) die de distributie mee mogelijk
maakt. ‘Linkages with competitors’ gaat over het feit dat een nieuwe, grote en
vreemde concurrent in de markt de bestaande KMO’s in die markt kan duwen naar
een beter product, een efficiënter proces, … . De ‘linkages with technology
partners’ gaat over duurzame samenwerkingsverbanden tussen de lokale KMO en de MNC
waardoor er een uitwisseling op het vlak van technologie en ‘know-how’ mogelijk
wordt. Ten slotte is er ook nog sprake van ‘other spillover effects. Denk
hierbij aan een medewerker van een MNC die door zijn opgedane ervaring bij een MNC
een gat in de markt ontdekt en hiervoor zelf een onderneming opricht.
Ik ben me er
terdege van bewust dat, net zoals in de biologische metafoor die ik gebruikte,
het evenwicht tussen de KMO en de MNC belangrijk is, maar het discours waarbij we
alle verzuchtingen van MNC’s moeten negeren en een (fiscaal-)beleid zouden
moeten voeren enkel gericht op KMO’s is mijns inziens dan ook een slecht idee.

Geen opmerkingen :
Een reactie posten