vrijdag 30 september 2016

La multinationale est mort, vive la multinationale

De herfst is nog nergens te bespeuren, het seizoen van ‘De zevende dag’ is nog vers en het rondje multinationals (MNC) bashen is terug van nooit weggeweest. Naar aanleiding van een betoging over TTIP vorige week in Betoging Capital a.k.a. Brussel, werd in het hierboven vermelde programma een debat tussen ene John Crombez en Karel De Gucht georganiseerd. De heer Crombez wentelde zich snel in de retoriek die tegenwoordig door zoveel politici en opiniemakers gebezigd wordt, deze van de verfoeilijke multinational. Minder expliciet in dit debat maar vaak de tweede vers in deze redenering zijn de glorieuze Belgische/Vlaamse kleine en middelgrote ondernemingen (KMO). Dat discours ergert mij mateloos en wel omdat het volgens mij een totale ontkenning is van de reële dynamiek tussen KMO’s en MNC’s.




In een poging om alle didactische benaderingen aan hun trekken te laten komen, tracht ik het eerst eenvoudig en intuïtief uit te leggen en daarna zal ik het wat academischer aanpakken.

Simpel gezegd zijn KMO’s en MNC in een economisch bestel een EN-EN-verhaal. Toen ik in het vierde middelbaar zat, leerde we tijdens de biologielessen het concept van een mutualisme. Volgens onze vrienden van Wikipedia is een mutualisme in de ecologie een interactie tussen twee levensvormen (bionten) waarbij beide voordeel hebben van die interactie (+/+). Een concept makkelijk genoeg voor een bende 16-jarigen en volgens mij een ideale metafoor om de interactie tussen KMO’s en MNC’s te benaderen.

In een meer academische benadering spreken we over ‘linkages’. In de literatuur die ik gevonden heb, wordt er over 5 zulke ‘linkages’ gesproken. De eerste is de ‘backward linkage with suplliers’. Hiermee verwijst men naar de MNC die directe of indirecte afnemer is van goederen of diensten die in lokale KMO’s geproduceerd worden. Denk hierbij aan de toeleveranciers van zetels bij Ford Genk of de broodjeszaak waar menig MNC-personeelslid zijn middagmaal nuttigt. Hoewel evident, wordt dit argument in het publieke debat slechts gebruikt wanneer het de demagoog past. De verontwaardiging is groot wanneer de toeleverancier die rechtstreeks afhankelijk is van een MNC moet sluiten ten gevolge van een sluiting van de MNC. Vervolgens groeit de verontwaardiging dat deze medewerkers niet van dezelfde gunstige brugpensioenregeling zullen kunnen genieten. Par contre, wanneer men smijt met de hoge tewerkstelling in KMO’s vergeet men handig de rol van de MNC’s hierin te vermelden.

Andere ‘linkages’ zijn ‘forward linkages with customers. Hier gaat het over de meerwaarde die KMO’s kunnen genereren aan de andere kant van de productieketen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een lokaal marketingbureau dat het product mee in de lokale markt helpt zetten of een lokale winkel(keten) die de distributie mee mogelijk maakt. ‘Linkages with competitors’ gaat over het feit dat een nieuwe, grote en vreemde concurrent in de markt de bestaande KMO’s in die markt kan duwen naar een beter product, een efficiënter proces, … . De ‘linkages with technology partners’ gaat over duurzame samenwerkingsverbanden tussen de lokale KMO en de MNC waardoor er een uitwisseling op het vlak van technologie en ‘know-how’ mogelijk wordt. Ten slotte is er ook nog sprake van ‘other spillover effects. Denk hierbij aan een medewerker van een MNC die door zijn opgedane ervaring bij een MNC een gat in de markt ontdekt en hiervoor zelf een onderneming opricht.


Ik ben me er terdege van bewust dat, net zoals in de biologische metafoor die ik gebruikte, het evenwicht tussen de KMO en de MNC belangrijk is, maar het discours waarbij we alle verzuchtingen van MNC’s moeten negeren en een (fiscaal-)beleid zouden moeten voeren enkel gericht op KMO’s is mijns inziens dan ook een slecht idee.

Geen opmerkingen :

Een reactie posten